De Méva

(Een interview.)

Weten mijn lezers wie hij is de Méva?

En weten zij dat hij is een hollander?

Zij, die aan de Riviera bekend zijn, hebben hem reeds sinds eenige jaren gezien daar, te Nice, te Menton, profeet naar het uiterlijk op de meest onverbeterlijke wijze, bloote voeten in sandalen, een wit hemd, een staf in de hand, lang, golvend, prachtig zijig blond haar, ‘n fijnbesneden Christus-type van alle mogelijke conventioneele schilderijen, in één woord ‘n “snoes van ‘n man”, zouen de meeste dames zeggen. Maar geen “snoes” in salon-pak, met gele of bruine glimmende schoenen, en een dop of een stroohoed op een gemillimeterd hoofd, en een es-ist-erreicht-knevel. O neen, de Méva – daarvoor is hij dan immers ook profeet – wil van al die moderne kleeren niets weten. Bij mooi weer ziet hij er uit als bovenbeschreven. Op koudere guurdere dagen is het hemd van zwart fluweel, met een cape over de schouders geslagen en de lange haren, die al te veel fladderen dan in den zeewind, teruggehouden door een oranje-kleurig bandje om den schedel. Ziedaar de Méva – in vroeger jaren Jozef Salomonson, ex-consul van België in onze Indiën – in regentenue. Voeg er nog bij, dat hij leeft van de vruchten des velds, geen vegetariër in den gewonen zin, die eieren, boter, zout mag gebruiken, neen een vijand van alle dierlijk voedsel hoe dan ook.

In den zomer slaapt hij buiten op den grond, hetgeen, volgens zijn eigen zeggen aan mij, even aangenaam bedwelmt als een morphine-inspuiting na een hevigen pijnaanval sommige soorten van daarvoor vatbare menschen in extase kan brengen.

Ik voeg erbij, volgens zijn eigen zeggen aan mij, omdat er over den Méva in zóóveel tijdschriften, couranten-artikelen enz., voortdurend wordt gelogen, dat het wèl der moeite waard is er de aandacht op te vestigen, dat hetgeen ik hier zeg kwam uit zijn eigen mond. Zoo vertelde hij mij onder anderen ook, dat het bekende, in alle couranten de ronde doende verhaal volkomen is gelogen, als zou de echtscheiding van Leopold Wölfling, den vroegeren aartshertog van Oostenrijk, broeder van de ex-kroonprinses van Saxen, zijn teweeg gebracht door den overgang van mevrouw Wölfling, vroeger gelijk men weet een actrice van den zooveelsten rang in Weenen, tot de leer van den Méva.

Leopold Wölfling, allerlei interviewers hadden het van hem zelf vernomen, zou van lieverlede van zijn vrouw genoeg hebben gekregen – men weet dat hij met haar wegliep in dezelfde dagen waarin zijn zuster van het Saxische hof er van doorging met den onderwijzer harer kinderen – omdat de eens zoo elegante en bekoorlijke actrice, na een verblijf te Locarno, waar zij met den Méva kennismaakte, diens eenvoudige leefwijze en dito toiletten ging invoeren in haar huiselijken kring; – iets wat den aartshertog maar matig beviel.

“Gelogen” – zei mij de Méva. “Gelogen als het meeste wat men over en van mij schrijft. Ik heb noch mevrouw Wölfling ooit zelfs gezien, noch iets uit te staan met de inrichting te Locarno, waar men doet aan geneeskuren ongekleed in de open lucht.”

Maar het wordt tijd, dat ik U vertel hoe ik den Méva kennen leerde.

Want ik heb hem vóór drie jaren, en dit voorjaar ook herhaaldelijk gezien, in Nice het meest, zonder dat ik op den inval kwam gebruik te maken van zijn invitatie de brochures te koopen over de kunst om gezond te leven, waarmede rondventend hij in zijn eigenaardig toilet rondwandelt over de Promenade, – een zoo welbekende figuur onder die elegante, uit alle wereldstreken saamgekomen massa, dat hij niet eenmaal opvalt meer; – iets wat in Parijs b.v. wèl het geval is, zoodat hij daar, door de straatjeugd uitgescholden en lastiggevallen, werd opgepakt, wegens zijn “aanstoot gevende kleeding”, en, na de gegeven opheldering, natuurlijk weer is vrijgelaten!

Deze keer echter was het mijn vriendin, die hare lust eens met hem te praten over zijn theorieen niet langer kon weerstand bieden, en mij overhaalde een gesprek te beginnen. – Zoo juist was hij langs ons gewandeld, had na een onderzoekenden blik op ons onzen vermoedelijken landaard vastgesteld, en bood ons daarom zijn wijsheid aan in het Engelsch:

“Never too late to learn.”

Maar toen wij hem hadden aangesproken, en hij ons had verteld dat hij een hollander was, een Amsterdammer, toen begon mijn vriendin te lachen, en zei:

“Wij ook, wij zijn geen Engelschen, maar Hollanders; en, om U de waarheid te zeggen, ik wilde wel eens kennis met U maken omdat ik journaliste ben.” –

Ziehier nu, lieve lezers en lezeressen, in stichtelijke preek-taal: De straf van het liegen, of te wel: Al is de leugen nog zoo snel, de waarheid achterhaalt ze wel. Van een gewoon wereldsch standpunt bekeken: wat is incognito moeilijk te bewaren, zelfs voor een eenvoudige Hollander in den vreemde! Immers, ter opheldering moet ik U nog vooraf laten gaan, waarom mijn vriendin zich voor journaliste uitgaf. Zij wist niet goed hoe een gesprek te beginnen, ik had er geen lust aan. Toen vroeg zij mij of ik er tegen had, dat zij onder bovengenoemd voorwendsel min of meer mijn beroep tot het hare maakte, bij wijze van inleiding. Ik had er niets tegen; wat kwam het er op aan. Wie kende mij? De Meva zeker allerminst.

Maar ziet. Nauwelijks had mijn vriendin zich aldus voorgesteld of onze landgenoot – dien wij alsnu in hem hadden gevonden – zag haar aan, en zei: ‘O dan bent U zeker freule de Savornin Lohman?’

illustratie

[p. 555]

– Mijn vriendin trachtte zich een houding te geven door de vraag te ontwijken met een wedervraag:

‘Ik zou zeggen, hoe komt U zoo ineens op freule Lohman?’ zei ze, terwijl ik er met een effen gezicht naast stond.

Maar het antwoord dwong mij mijzelve bekend te maken.

‘Graaf van R…. heeft me gezegd, dat freule Lohman hier is; dus dan zal U het wel zijn, als U schrijft….’

Nu werd de zaak toch al te gek. Graaf van R. van L. en ik zien elkaar dagelijks in den Jardin Public rondwandelen. Hoe kon ik echter vermoeden dat hij aan den Méva – in wien ik niet eenmaal een landgenoot vermoedde – mijn naam had genoemd.

Er schoot nu niets anders meer over dan de waarheid te bekennen, en mij-zelve voor te stellen.

En zoo zien mijn lezers de bevestiging van hetgeen ik hierboven beweerde betreffende de gerechte straf die volgt op het jokken, en de moeilijkheid van het incognito bewaren.

Wat de Méva wil? Zijn brochure is getiteld: Méva l’apotre de la vie naturelle, en bevat verschillende voorschriften hoe de mensch volgens hem moet leven om gezond te worden. Ik heb geen plaatsruimte die af te schrijven. In hoofdzaak komt het neer op de levenswijze die hij-zelf volgt: rauwe vruchten en volstrekt plantaardig voedsel, een primitieve kleeding van hemd en sandalen, geen hoofddeksel, slapen in de open lucht, ‘the simple life’ in zijn uiterste consequentie.

Terwijl Jozef Salomonson ex-consul d’Amsterdam – aldus luidt zijn naam op de bovenaangehaalde brochure – mij met geestdrift sprak van dezen nieuwen godsdienst, gebaseerd door hem op Mozes – Buddha – Jezus – Mahomet – Wagner – zag ik rond mij over de elegante, bontgekleede menigte, die zich op dat oogenblik verlustigde in het goud-glanzend zonlicht, waarin ginds de kusten van Vintimiglia en Bordighera ter eene zijde, ter andere Cap Martin met zijn coquet theesalon zich baadden. De blauwe even slechts bewogen Middellandsche Zee zong haar zacht wiegelied, en daarboven blauwden de wolken in rozigen weerschijn, natuur en beschaving in grille tegenover-elkaarstelling, zonder dat misschien één uit die veelhoofdige menschenmassa daarbij stil stond, bij die tegenstelling.

‘En gelooft U dat U ooit deze wereld zult overtuigen, zult veranderen?’ vroeg ik, en zag naar al die van bloemen en veeren zware cloche-hoeden en reusachtige moffen en pelzen en boa’s, om niet te spreken van gepinceerde meneertjes met getailleerde overjassen en ‘n monocle in het oog en het al te vroeg kale hoofd bedekt met een zwierigen duitschen jagerhoed of een winderìgen franschen flambard. –

‘Oh, het is de toekomst waarin ik geloof, de toekomst, indien het mij gelukt de kinderen zoo op te voeden als ik zou willen. -’ De Méva sprak nog lang in dien geest. –

Maar ik erken – ik luisterde niet meer. –

Bij den aanblik van die eeuwig-schoone natuur rondom, leek mij alle menschelijk willen en menschenpogen zoo klein, zoo onmachtig.

Wereld-verbeteraars, gezondheid-verbeteraars, profeten, en stichters van nieuwe godsdiensten, zij komen en verdwijnen, maar de Schepping stoort zich niet aan hen, en aan hun theorieën, en gaat haar eeuwigen wonderbaren gang.