Een kolonie Natuur-menschen

Zwitserland is van oudsher een toevluhtsoord voor vluchtelingen geweest, en dat in het bijzonder de meest vrije canton van het vrije Switserland: Tessin.

Als een andere wereld doet het zich voor onze oogen op, als wij, een half uur van Locarno, het kleine dorpje Asbona binnengaan. Zijn we al verrast door de vele kleine huisjes, die als vogelnesten aan de steile bergwanden hangen, nog meer treffen ons de wonderlijke verschijningen, die we op den landweg tegenkomen: blonde, groote gestalten tusschen de zwart-lokkige, bruine kinderen uit het Zuiden.

…. Dadelijk reehts bij don ingang van het dorp, leidt een weg naar de ongeveer 150 M. boven de zee liggende M*nte Vérita. Dit is hat middelpunteener nederzetting van mensenen, die door hun innerlijk en uiterlijk leven toonen willen hoe wij tot de natuur terugkeeren moeten. • ¦ Een,primitiev3 houten haag omgeeft den heuvel en moet deze .kleine wereld afsluiten van de gewone menschbeid. Maar de groote gaten cis de vaak door den storm verbroken deelen van de omheining geven ons gelegenheid in deze wereld te zien, en zoo.besparen wij ons de van eiken bezoeker gsvraagde twee fiancs. Daar loopen ze langs den weg, de mannen met lange, fladderende haren, een baid om het voorhoofd, met fantastische kleeren; vrouwen in hemdachtige feleediug, en allon zonder kousen en schoenen. ~ . , . . . ~ Daar is een afd«eling die zich bezig houdt met tuinarbeid, vrouwen en mannen geheel naakt, zooals de natuur dat voor de ware levenskunst eischt. Kleine zwart-bruine houten hutten, zijn de woningen Tan deze «nieuwe mencchen,“ zooal6 zij zich noemen. Vruchten en brood vormen de voeding; dat laatste wordt naar de vinding van den stichter dezer kolonie ;nit grof .meel gekookt, niet gebakken. In heel‘ bijzondere gevallen kookt de gezellin van den stichter ook een groente, maar zonder zout of andere bijkomstige dmgen, daar dit streng verboden is, zooals .in het algemeen die dierlijk voedsel is buitengesloten. . Zondagen kent men er niet, zoomin als feestdagen; de week telt er tien dagen, wat wel pleit voor het koopmanstalent van den leider. Een belgische .ex-consul is een van de vele dwepers die, aangetrokken daar het heerlijke klimaat en de idealistische voorstellingen door den stichter creceven, zich b}j hen aansloot. Zijn taalkennis maakte hem spoedig tot den aangewezen gids voor vreemdelingen in deze kolonie en memand hunner wist zoo goed en met zooveel vuur vonnis te vellen over vleesch en zout als hij. Warneer bij met den czelwagen naar de markt ging, droeg hij een kort hemd. Toen hij echter eens voor deze al te luchtige kleeding in hechtenis genomen werd, liet hij zich uit wanhoop een fluweelen morgenjas maken, die hij alleen in de wereld daar buiten droeg. Een oranjekleurige zijden band versierde zijn voorhoofd. Een zelf genaaide Ventanenmantel met een ster als symbool sierde onzen blonden vrietn£y • die deze nieuwe menschheid vermogen, talent en kracht bracht, tot hij eindelijk zelf moest inzien dat alles 6lechts aan een idee fixe geofferd was. Gelijk in een duiventil gaat het op de Monte Verita in en uit. Zeldzaam wonderlijke genezingen worden daar verkregen en toch zonder eenige kennis ; zonneschil en natte klei zijn middelen die alles genezen; daarbij komen appelen en nooten. En wie dan niet gezond wordt, die is ook nog niet rijp voor de nieuwe menschheid. Zooals overal in de wereld zijn de menschen ook hier verdeeld. iVan •de velen die gekomen waren om hun leven van gedroomde idealen te leven, vestigden zich enkelen op den berg of in het dorp, kochten daar voor weinig geld een stuk grond, vaak met een Alpenhutje er bij of alleen met ruïnes. Spoedig werd er door eigen hand of met weinig hulp een huisje opgezet, daar waar maar eenigszins plaats was. De bodem wordt vruchtbaar gemaakt en levert rijkelijk de benoodigdheden voor het huishouden op; bij menigeen blaat tevreden een geit, die den niet al te strengen vegetariërs de melk levert Anderen houden er kippen op na, en hond en kat leven er in vriendschap met elkaar. In zoover dus al dicht bij het ideaal! •Vaak levert de grond zoo’n overvloed van vruchiten en groenten, dat de om de plek wonende vrouvwen haar schat -öf onderling ruilen öf voor den •winter inmaken. Op geheel onbegaanbare rotsen treft men dan ¦onverwachts een andere kleine kolonie aan; eenzaam huist daar een jonggezcl met lange harenen baard. Zijn eenig hemd hangt buiten en wacht tot dat een regenbui voor de niet overbodige reiniging zorgt. Ook dat nadert het ideaal! Hij zelf lijdt een bespiegelend leven, droomt.liggende in den zonneschijn, van een toekomststaat zonder werk en zoekt, wanneer hij honger heeft, bessen in het bosch, of vraagt een makker iets van zijn voorraad. Een andere weer woont in een open ruïne, zijn kleed is gelijk aan dat der romeinsche Hirten; hij tracht alles aan de natuur te onttrekken om zich met haar verbonden en een te voelen. Zoo verzamelde hij onlangs de gedroogde bladeren uit een kuil, om daarmee de wanden van zijn kluisje te behangen. Verscheidene echtparen wonen in vaak heel aardig gebouwde huisjes in ravijnen, midden in het woud of aan een steile berghelling; ook wel dicht bij het meer. En allen streven naar een leven zoo ver mogelijk verwijderd van alles wat naar beschaving zweemt. Velen houden zich bezig met politiek en kunst, maar nog meer leven een dolce far niente. Ook moeten enkelen zich bezighouden met «verborgen wetenschappen“ volgens de grondstellingen van de «nieuwe menschen.“ Inwrijvingen met zeep bijv., door een vrouw uitgevonden, moeten alle ziekten genezen! Welch ein Schauspiel! Aberauch ein Schauspiel nur ! kan men met Goethe uitroepen, als men in de wereld van strijd, ellende eu grooten socialen arbeid dit kleine tooneel van menschen ziet, die allen trachten zich van het gewone leven los te maken. Een tijd lang houden zij het uit, als zij niet door te weinig voeding en hun eigenaardige leefwijze geestelijk te gronde gaan, zooals dat bij enkelen het geval is geweest. Bij velen echter kwam de oude levensmoed weer boven, en wie niet heelemaal het leven van een huichelaar leidt, die tijgt spoedig weer aan den gewonen, menschelijken arbeid of gaat op reis om in die wereld terug te keeren, die zij meenden te moeten ontvluchten. Het stille volkje in het dorp ziet het leven dezer natuurmenschen lachend aan en verwondert zich nu niet meer over die Balla-bjut (naaktloopers) en Vegeteriani; voor hen zijn het goedaardige, maar niet geheel normale menschen. En toch zijn er velen onder hen, die den moed en de kracht hadden na menige dwaling, zulk een leven van schijn voor altijd op te geven.

Bataviaasch Nieuwsblad, 21. Jahrg. 24. November 1906, Nr. 298. Een kolonie Natuur-menschen. Beim Beitrag handelt es sich um die Übersetzetzung des Artikel Eine Kolonie Naturmenschen, in: Die Woche, 8. Jhrg., 20. Oktober 1906, Nr. 42, S. 1837-1840.